The Phantom of the Opera: mythe versus werkelijkheid

Phantom of the Opera
Phantom of the Opera. Screenshot/Youtube

Musical theaterliefhebbers zijn dol op de titelsong van Andrew Lloyd Webbers Phantom of The Opera: een rockoptreden barst letterlijk los binnen de vergulde muren van een operahuis, als The Phantom Christine Daae, een veelbelovende sopraan en het typische onschuldige meisje, meelokt naar zijn schuilplaats in de ingewanden van het theater – ook compleet met een meer! Ze noemen elkaar “Engel van de muziek”, maar helaas is hij niet meer dan een leraar voor haar, terwijl zijn obsessie voor haar, nou ja, nogal morbide is. In feite is Christine verliefd op Raoul, de Vicomte de Chagny, die een van de nieuwe beschermheren van de Opera is.

Webber liet zich inspireren door de roman van Gaston Leroux die in 1909-10 werd gepubliceerd. In 1984 was zijn artistieke doel een romantisch stuk, en toen hij een tweedehands exemplaar van Leroux’ roman vond (die toen al lang niet meer werd gedrukt), sloeg de inspiratie toe. “Ik was op dat moment eigenlijk iets anders aan het schrijven,” herinnert hij zich in The Phantom of the Opera Companion, “en ik realiseerde me dat de reden dat ik vast zat was dat ik probeerde een groot romantisch verhaal te schrijven, en dat probeerde ik al te doen sinds ik mijn carrière begon. Toen met het Fantoom, was het daar!”

In de originele roman krijgen we, dankzij een personage dat bekend staat als The Persian, een veel gedetailleerder achtergrondverhaal van een van de meest tragische personages in fictie, opera en muziektheater. We komen te weten dat het Fantoom in werkelijkheid Erik heet en dat zijn gezicht, bedekt met geel dood vlees, neusloos en liploos is en op een opgedroogde schedel lijkt. Hij werd gemeden door zijn moeder, die hem nooit een kus gaf omdat ze van hem walgde, en hij liep als kind weg en verdiende de kost als freak-show attractie en leidde een nomadenbestaan tussen het hof van de Sjah van Perzië, Zuid-Oost Azië en Constantinopel. Op al die plaatsen viel hij op als begaafd architect.

Zo belandt hij in Parijs, waar hij in de kelders van de Parijse Opera een labyrintisch systeem weet aan te leggen. In die kelders heeft hij ook genoeg buskruit opgeslagen zodat, mocht Christine weigeren zijn bruid te worden, hij het hele bouwwerk zou kunnen opblazen.

In de inleiding van de roman kadert Leroux het verhaal als een historisch relaas van een van de grootste tragedies die de Parijse upper class trof. Hij beweert dat, na een reeks van kleine beproevingen, hij er uiteindelijk in slaagde om, van een magistraat genaamd Faure, een bundel brieven te bemachtigen die de Perzische hem had overhandigd en die, naar verluidt, in het handschrift van Christine Daae waren.

Fictieve fantasievluchten terzijde, Het spook van de opera is niet geheel een verzinsel van Gaston Leroux’s verbeelding. Voordat hij zich wendde tot de fictie, was hij een rechtbank verslaggever, een theater-recensent en hij versloeg ook de 1905 Russische Revolutie voor Le Matin. Hij maakte een grondige reportage over de voormalige Opera van Parijs, die het bolwerk was van de commune van 1871 en waarvan de kelder een cel bevatte waar slachtoffers van het regime werden opgesloten.

De naam “Erik” is geïnspireerd op het feit dat Leroux een gerucht had gehoord dat een van de architecten van de Opera, genaamd Eric, had gevraagd om te leven tussen de fundamenten van het bouwwerk en nooit meer was teruggezien. Christine Daae’s personage lijkt op de echte sopraan Christine Nilsson. Beiden waren in Zweden geboren, kwamen uit een arm gezin en blonken uit in de uitvoering van Faust.

Architectonisch-structureel gezien is er inderdaad een meer bij de fundering van het Operahuis, want toen architect Charles Garnier de fundering aan het graven was, hadden hij en zijn ploeg een onder de grond verborgen arm van de Seine geraakt en het had geen zin om te proberen het water eruit te pompen. Hij besloot dus het water te beheersen in waterreservoirs, die nu volledig op een kunstmatig meer lijken. Het meer heeft een bewoner, namelijk een meerval, die door het personeel wordt gevoed.

Wat meer is, zowel in de musical als in de oorspronkelijke roman komt een vallende kroonluchter voor, die eigenlijk een echt ongeluk weerspiegelt dat in 1896 in De Opera plaatsvond, toen een van de contragewichten van de kroonluchter in het publiek viel en een conciërge genaamd madame Chomette doodde. Leroux zelf vermeldt dat de platen van de Opera in de gewelven van de Opera werden begraven, wat eigenlijk een historisch feit is: 24 fonografische platen werden verzegeld en verborgen in die gewelven en bleven ongeopend gedurende honderd jaar. Hij voegt er ook aan toe dat er een lijk werd gevonden door de arbeiders die de platen moesten opslaan, maar er is geen officieel bewijs dat er bij die gelegenheid een lijk werd opgegraven.

Tot op de dag van vandaag krijgt Pierre Vidal, de conservator van het museum en de bibliotheek van het Palais Garnier, telefoontjes waarin hem wordt gevraagd of het verhaal van het Fantoom al dan niet waar is. “We breken niet graag de illusie,” vertelde hij aan The Telegraph, “maar niemand heeft een spook gezien in het operahuis. Hoewel we de ‘Phantom’ wel als grap aanwijzen als er iets onverklaarbaars gebeurt.”

Leave a Reply

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.